Weer kriebelde er iets in Dé’s hals.
„Wat is dat toch,” zei Dé, terwijl ze opsprong en achter haar stoel keek.
„Daag!”
Daar verrees Robs ondeugende kop boven de stoelleuning.
Dokter Durieu schaterde het uit. ’t W7as ook zoo’n heerlijk gezicht, die stoute bruin-ver-brande kop, met den lachenden mond.
,,WTaar komen jullie allemaal vandaan?” jubelde Dé. „O, wat dol-gezellig en wat hebben jullie ’t allemaal goed geheim gehouden.”
„D’r komt nog meer verrassings,” zei Nettie, maar Tine vloog naar haar toe en legde haar hand op het snappende mondje.
„Pas op, hoor!” zei Mevrouw Cortelingen.
„Niets verklappen.”
„Waar blijven Leo en Karel toch,” zei dokter Durieu, op zijn horloge kijkend.
„Die komen zeker gelijk met Puck Deeleman,’ zei Tine.
„O ja, da’s waar ook,” zei Herman. „Die komt hier eten.”
Mevrouw en Dé zaten in een hoekje van de salon samen te praten.
Dé had zóóveel te vertellen en Mevrouw genoot van haar fleurig uitzien en den vroo-lijken blik in de anders zoo droevige kijkers.
Nettie zat bij dokter Durieu op schoot en vermaakte hem met haar vroolijk gesnap.
178