,,Ik hoor zooveel stemmen,” zei Dé zacht terwijl ze naar hun kamers liepen.
„Zeker weer visite,” bromde Herman. „Nu, die zullen wel weg zijn, als wij beneden komen.” Ze gingen nu ieder naar hun kamer om zich op te tooien voor „Dé’s galgemaal,” zooals Herman zei.
Na een groot kwartier hoorde Dé Hermans stem voor haar deur roepen:
„Ben je klaar, Dé? Dan gaan we naar beneden.”
„Nog effies,” riep Dé terug. „Ik moet nog een paar bloemetjes opsteken.”
„Schiet dan op, freule,” riep Herman wrat ongeduldig.
Even daarna kwam Dé uit haar kamer. Ze zag er allerliefst uit in een eenvoudig japonnetje van luchtige crêpe, in de halsopening een donkerroode roos, die prachtig afstak tegen haar slanken, bruinen hals.
„Sapresti, wat zie je er kranig uit,” bewonderde Herman!
„Jij niet minder,” zei Dé, goedkeurend. Hermans slanke gestalte kwam dan ook voor-beeldeloos uit in smoking.
„De visite is er nog,” zei Dé, toen ze beneden kwamen. „Ik hoor zoo’n gezoem, er schijnt nogal veel bezoek te zijn.”
,Ja, dan moeten we er maar aan gelooven. We kunnen nu niet ontsnappen,” zei Herman.
176