paar taaie bezoeken afleggen, ik kan er niet van af, hoor!”
„Gaan Leo en Karel ook niet mee?”
„Neen, die gaan naar Puck Deeleman, die is gisteren terug gekomen van zijn reis door Zwitserland, nou, je snapt, daar moeten ze alles van weten. Maar vin-je ’t saai om alleen met Her te gaan?”
„Wel neen,” haastte Dé zich te zeggen. „Hee-lemaal niet, ik vroeg ’t maar, omdat we gewend waren allemaal samen te gaan.”
Dé wilde niet zeggen, hoe vreemd ze ’t vond, dat Tine nu juist op dien laatsten dag van hun samenzijn, visites moest maken. Ze was echter van een veel te lieve, zachte natuur om iets van haar ontstemming te laten merken en opgewekt ging ze dan ook met Herman naar het naburige dorp, waar nicht Hermien ze vol blijdschap ontving.
Ze hadden er een heel gezellig middagje, bewonderden al het pluimgedierte en de pauwen en lieten zich het kopje thee met de noodige lekkernijen die nicht ze voorzette best smaken. Tegen vier uur namen ze den terugtocht aan. „We komen net op tijd aan tafel,” zei Herman, terwijl hij op zijn horloge keek. „We heb--ben zelfs nog tijd, om ons op ons dooie gemak aan te kleeden.”
„Je hebt het schitterend uitgerekend,” lachte Dé. „Met jou ga ik meer uit.”
174