lokken glinsterend in het zonnelicht. En de jongens, alsof ze het de eerste maal zagen, met trots kijkend naar het teere, ranke zusje, dat hun zonnetje, hun prinsesje was.
Dé keek van den een naar den ander en toen zei ze met een langen zucht: „Wat een lieve menschen zijn jullie allemaal.”
Geen der drie jongens lachte bij dit gezegde, het was alsof ze voelden, wat er bij Dé moest omgaan en ieder van hen nam zich voor, haar die dagen van haar verblijf tot ware zonnedaagjes te maken.
En hierin slaagden ze volkomen, het was een reeks van opeenvolgende pretjes, fietstochten, rijtoeren, tennis-matchen, pic-nic’s, een groote boottocht, alles van het programma werd afgewerkt en nu was de voorlaatste dag van Dé’s verblijf aangebroken.
’s Morgens onder het aanld eeden zei Tine plotseling:
„Zeg Dé, heb je zin om vanmiddag met Herman naar nicht Hermien te gaan? Ze heeft gevraagd of jullie kwamen koffie drinken en dan ’s middags een paar uurtjes bii haar blijven. Er is heel wat te zien op haar buiten, ze heeft pauwen zeg, en een troep duiven, wat leuk!”
„Ga jij niet mee?” vroeg Dé terwijl ze haar verbaasd aankeek.
„Gut kind, ik moet vanmiddag met Vader een
173