„Och, m’n verongelijkt schaap,” lachte Dé, „ik zal dan maar om je te troosten den rijtoer kiezen.”
„Moest ik niet weten, dat je zelf zoo dol op toeren bent, barmhartige Samaritaan!”
„Kinderen, ik moet weg,” zei dokter terwijl hij opstond, „’t Spijt me wat, dat ik niet langer in jullie vroolijk gezelschap kan blijven. Veel pleizier dan.”
„Even een eindje mee,” vleide Tine, terwijl ze eveneens van tafel opstond. „Ik kom direct terug. Dé.” En weg vloog ze, den tuin door, naar de stallen, waar Vaders fiets stond, om even daarna met het rijwiel voor het huis te komen.
„Stap op, Vader,” riep ze naar binnen.
De statige figuur van Dokter Durieu kwam nu de treden van het bordes af.
„Dag kinderen,” wuifde hij nog eens naar D é en de jongens die hem naoogden.
„Nu zul ie het spektakel van iederen morgen zien,” zei Herman tegen Dé.
De dokter besteeg zijn fiets en toen hij wegreed, vloog Tine als een pijl uit den boog hem achterna, sprong op de step en met beide armen om zijn hals geslagen, reed ze een eind met hem mede.
Dé kon haar oogen niet afhouden van dit lieve tafreel, die sterke, groote man op de fiets en achter hem Tine’s slanke figuurtje, de blonde
172