morgen met Dé naar Z. te toeren, we kunnen het rijtuigje bij Pieterse stallen, haar den omtrek laten zien, een kopje koffie drinken en dan weer net op tijd voor de lunch terug zijn.”
,,Dit voor ’t geval ik geen gebruik maak van het rijtuig,” plaagde dokter.
„Snugger opgemorken, Edelachtbare Heer Papa,” lachte Tine.
„In ’t andere geval,” ging Leo door, „nemen we de stalen rossen, peddelen naar „de Bijen-croft” en laten Dé genieten van het leven der bijen. Zeer interessant voor zoo’n nonna’tje.” „Beide plannen dragen zeer mijn goedkeuring weg,” sprak dokter. „Laat Dé nu kiezen, wat ze het liefste wil, jullie kunt vrij over het rijtuigje beschikken.”
„O, fijn!” jubelde Tine. „Toe, Dé, kies nou het rijtuigje.”
„Hoor nou zoo’n dwingeland,” zei Herman, de oudste broer.
„Niet toegeven, Dé,” vond Karel, Tine’s middelste broer.
„Neen,” lachte Juffrouw Bergsma, de huishoudster, „vooral niet, Karel geeft haar ook nooit toe.”
Allen moesten lachen, want juist Karel, had haar ’t meest van allen verwend.
„Zeg, ’t is hier vanmorgen Villa Plaaglust,” zei Tine. „Eerst begon Vader en nu gaat de heele kluit aan de plaag. Hè, mormels!”
171