„Wat kijken je oogen vandaag blij,” zei Tine.
„Kijken die dan anders zoo treurig?” vroeg dokter.
„Treurig niet,” weifelde Tine. „Maar zoo ernstig.”
„Daar zal Dé dan zeker wel reden voor hebben,” zei dokter, terwijl hij haar begrijpend aankeek.
Een warme, dankbare blik van Dé was het antwoord.
Den volgenden morgen werd Dé gewekt door Tine’s vroolijke stem, die vanuit den tuin door het open raam van de slaapkamer drong. Dé keek eens even verbaasd rond, naar het lichte behang en de aardige witte meubeltjes.
Waar was ze nu?
Ze wreef zich de oogen uit. Hè, heerlijk, daar drong de werkelijkheid tot haar door.
„Luilak, beddezak!” zong Tine van beneden-af.
„Ik kom gauw,” riep Dé terug, „Waarom heb je me niet eerder geroepen?”
„Kind, je sliep als een marmot,” gilde Tine. „Je hoorde me niet eens bij m’n toilet en dat doe ik heusch zoo zachtjes niet. Nu, maak maar gauw voort, stadsmensch!”
In minder dan geen tijd Avas Dé nu in de kleeren en haastte ze zich naar beneden, waar ze allen reeds bijeen vond aan den ontbijttafel.
169