„Stel me liever eens aan je vriendin voor,” zei de dokter.
„Dat zal niet meer noodig zijn,” zei Dé, terwijl ze naar den dokter toeging. „Ik had U al herkend van het portret, dat op Tine’s tafeltje staat.”
„Dag lieve Dé,” zei dokter hartelijk, „Ik hoef je toch niet te juffrouwen, is ’t wel? ’t Zou me ook heusch niet afgaan bij zoo’n trouwe vriendin van m’n meiske.”
Wat werd ’t Dé warm om ’t hart bij die lieve woorden en hoe vertrouwelijk liet ze haar handje rusten in de krachtige hand van den dokter.
Al pratende gingen ze nu het huis binnen, waar in de eetkamer de koffietafel al gereed stond.
De meisjes gingen zich even op Tine’s kamer verfrisschen en kwamen daarna weer vlug naar beneden, want dokter moest weer gauw weg.
In de eetkamer vonden ze nu ook de twee andere zoons en de huishoudster.
Al heel spoedig was Dé ook met dit drietal op goeden voet en het verbaasde haar, zoo gauw ze zich geheel thuis voelde in de nieuwe omgeving.
Dit kwam echter doordat er een lieve, hartelijke toon heerschte in het huisgezin van den dokter en Dé, die zoo weinig familieleven gewoon was, koesterde zich hier in.
168