ik ben er dol, dolblij mee.” En nu sloegen de meisjes den weg naar Tine’s huis in.
„Zie je die groote wei, Dé?” vroeg Tine. „Kijk, daar aan grenst onze tuin en zie je daar vlak naast dat huis met al die koepeltjes? Nu dat is ons huis. Kijk,” riep Tine, toen ze dichterbij kwamen, „Leo, zit in de serre, hij wuift naar ons.”
Nu kwam Leo, de jongste broer van Tine, de meisjes al tegemoet loopen.
Een hartelijke verwelkoming volgde en Dé voelde zich direct op haar gemak met dien jongsten broer.
„Wat een goed leventje zal dat voor ons worden,” lachte Leo. „Nu hebben we twee zussen. Een zwarte en een blonde. Benijdenswaardig, hoor!”
„Dat moet U nog maar afwachten,” plaagde Dé terug. „Wie weet, hoe gauw U wenscht, dat die tweede zus maar weggebleven was.” „Na al wat Tine ons verteld heeft, kan ik dat niet denken.”
„Ja, maar Tine overdrijft alles,” klonk nu een stem achter ze.
„O, daar is Vader al,” juichte Tine en draaide zich om naar een forschen heer, die juist van zijn fiets sprong.
Onstuimig vloog ze hem om den hals en kuste hem op beide wangen. „Luistervink!” schold ze hem.
167