Voorzichtig nam Tine de kleine diertjes een voor een op en hield ze tegen haar wang.
Dé streelde zacht den kop van Lesley en keek met welgevallen naar Tine, die in aanbidding naast de hondenmand zat, met alle kleine hondjes op haar schoot.
Daar kwam de Chef het kantoortje binnen.
„Dacht ik ’t niet,” lachte hij. „Toen ik U niet meer zag aan den trein, wist ik al, dat ik u bij Lesley zou vinden.
Och, wat zijn ze schattig,” zei Tine. „We willen ze best mee naar huis nemen, hè Dé?”
„Maar dan Lesley ook,” zei Dé. „Wat is dat een lief beest en wat een zachte, treurige oogen heeft ze.”
„Nee, dames,” weerde de Chef af. „Ik zal ze maar liever hier houden, maar als ze groot genoeg zijn, om zonder de moeder te kunnen, dan mag Juffrouw Tine er een uit komen zoeken.”
„Is ’t heusch waar?” zei Tine stralend van blijdschap. „O, chef, wat lief van U.”
„Ik ben wat blij u een pleiziertje te kunnen doen,” zei de Chef. „U is altijd zóó lief voor onze kinderen, dat vergeten m’n vrouw' en ik niet licht.”
Tine kreeg een kleurtje van verlegenheid bij dit complimentje en terwijl ze Dé meetrok zei ze:
„Vast bij voorbaat hartelijk bedankt Chef,
166