„Juffrouw Tine, daar komt de trein,” waarschuwde haar de controleur die de kaartjes knipte.
„Hoera!” juichte Tine en baande zich een weg door de menschen.
Daar kwam Dé al aangestapt. Ze zag er allerliefst uit in haar mantelcostuumpje van lichte tussorzijde, een groote, witte hoed met zacht-rose rozen op de donkere haren.
„Gossiepietje, wrat ben je mooi!” bewonderde Tine, terwijl ze haar hartelijk verwelkomde.
„Dag Tineke,” zei Dé blij. „Wat heerlijk, dat ik er ben, ik heb er zóó naar verlangd.”
„We gaan eerst even de jonge honden van den stationchef zien,” zei Tine, terwijl ze haar arm in dien van Dé stak.
Ze traden nu het kantoor van den stationchef binnen.
In een hoek van de kamer stond een groote hondenmand, waarin een mooie schotsche herdershond lag met zes lieve jongen.
Behoedzaam knielde Tine neer bij de mand.
„Dag Lesley, dag dot, heb je zulke schattige jonkers. Wat een dodders, zeg! Mag ik ze even opnemen?”
De mooie, groote oogen van Lesley keken trouwhartig naar het meisje, dat ze zoo goed kende van al de lekkere beetjes die ze haar steeds bracht.
165