„Ja, dolgraag, maar dan komt rn’n vriendin mee.”
„O, da’s best. Houdt die net zooveel van honden als U?”
„Nou, dat weet ik eigenlijk niet. maar ze zal ’t toch in ieder geval aardig vinden die schat van ’n Lesley met haar jongen te zien. Zeg Ary,” vervolgde ze tegen een witkiel, die juist voorbij liep, „Hoe is ’t met moeder de vrouw?”
„Da’ gaat best. juffer Tine,” zei de man, terwijl ie respectvol z’n pet lichtte voor dokters dochtertje. „We beginne nu te winne,” liet ie er op volgen.
„Ik kom ze van de week weer eens opzoeken, hoor!”
„Graag, juffer Tine. De vrouw is maar wat blij als U komt, dat montert nog es een beetje op.”
Zoo hield Tine dan met deze. dan met gene een praatje. Ze kende iedereen uit het dorp en was bij allen geliefd om de ongekunstelde, aardige manier waarop ze met de menschen omging.
Er was zoo niets aanstellerigs in Tine, iets wat zoo vaak het geval is bij meisjes van dien leeftijd, alles was echt en waar aan haar en nu het jongensachtige, wat ze in zoo sterke mate had, toen ze nog thuis was, er wat af was gegaan, vonden allen haar nog ééns zoo lief.
164