„Die jongen, die jongen!” en Mevrouw Tervaart dreigde hem bestraffend met haar vinger.
De „jongen” holde naar haar toe, sloeg z’n arm om de tengere zuster heen en vroeg terwijl hij haar liefdevol aankeek:
„Moest ik jou dan dat heele eind laten loopen? En ’t is toch veel gezelliger als je met allen gelijk vertrekt.”
Zijn zuster keek hem ontroerd aan. Hoe zorgzaam en nadenkend was hij toch altijd. En vol liefde streek ze hem over de golvende blonde haren.
De rit naar het station wras weer allergenoege-lijkst en uit de brik der jongeren klonken fris-sche, aardige liedekens op, gezongen door blije hartjes.
Het was een zeldzaam prettige dag gewreest en ze waren het allen met Rob eens toen hij, Oom Wim vanuit de coupé na-oogende, zei: „Zoo’n dag kan alleen Oom Wim maar in elkaar zetten.”
158