twee armzalige vrijgezellen, bood ze aan, ons potje te koken. En van die taak kwijt ze zich voortreffelijk. lederen middag brengt Klaas, dat is d’r zoon, ons in een speciaal voor het doel aangekochten etensdrager, óns smakelijk maal.” „Heel practisch,” vond Mijnheer Tervaart. „Ik begrijp nu zoo langzamerhand hoe ’t komt, dat je nog steeds vrijgezel bent. ’t Is heusch een ideaal-toestand zoo en als ik.. .. alles vooruit... . ”
„Plaag,” lachte zijn vrouw'. „Ik trek me er tóch niets van aan.”
„Dé,” gilde Willy eensklaps, „Kijk daar eens op je mouw! Hu, wat griezelig!”
Een groote spin kuierde over Dé’s mouw. „Araignée au jour, grande amour,” juichte Tine overmoedig.
Een fijn blosje kleurde Dé’s donkere wang. Heel kalm nam ze de spin van haar arm en zette haar voorzichtig op een boomtak.
„Dat is moedig,” prees Oom Wim. „Ik wed, dat Ada ’t niet gedurfd had.”
„Neen hoor,” lachte deze. „Ik vind een spin akelig eng.”
„Je bent in Indië wrel gewend aan allerlei gedierte,” zei Dé. „En vrij wat minder onschuldig dan zoo’n spinnetje.”
„En dan nog wel zoo’n middagspinnetje,” plaagde Tine. „Dat brengt heelemaal niets kwaads, wTel Dé?”
153