Oom Wim had er slag van aardige feestjes te organiseeren. Dat bleek alweer, toen allen verzocht werden zich naar den tuin te begeven.
Hier was, midden tusschen groen en bloemen een lange tafel gedekt en ’t zag er alles zoo fleurig en smakelijk uit, dat ’t een lust was om aan te zitten.
Hoog opgestapeld lagen de belegde broodjes in aardige steenen bakken, en heerlijke, frissche aardbeien op groene bladen prijkten in groote kristallen schalen.
Langs de geheele tafel rankten slingers frisch groen, met lathyrus in alle kleuren er doorheen.
Er was één roep over de smaakvolle koffietafel en Sambo, die bediende, werd openlijk hulde gebracht.
„Willen we eens een poosje ruilen, Oom?’’ vroeg Jo. „IJ Ant en wij Sambo.”
„Dat zal niet gaan, meiske,” zei Oom. „Sambo kan niet koken en dat kan Ant wel.”
„Wie kookt er dan voor U?” vroeg een der tweelingen.
„Dat is Annie d’r teêre punt,” plaagde Ada. „Als er over eten gesproken wordt is ze er als de kippetjes bij.”
„Och schaap,” zei Annie beleedigd.
„Wie er voor me koekt?” vroeg Oom Wim. „Wel, buurvrouw Mietje. Dat is de brave boerin, die op de boerderij woont, waar jullie straks langs gingen. Begaan met het lot van
152