Egyptisch rookstel en allerlei kleurige zijden kussens op den grond.
„En hier is Oom Wim’s pruilhoekje,” plaagde Mijnheer Tervaart, terwijl hij naar een anderen hoek van het atelier stapte.
„Neen menschen, laat je niets wijs maken, pruilen doe ik niet, dat laat ik over voor m’n lieve nicht Jo.”
,,Hu, drakepit!” zei Jo heel oneerbiedig. „Ik pruil haast nooit.”
„Let wel op dit „haast,” plaagde haar oom. „Mogen we nu iets van Uw werk zien,, Mijnheer?” vroeg Dé.
„Heel graag,” zei Oom Wim en hij ging naar den grooten schildersezel, die midden- in het atelier stond en haalde een groote lap weg, die erover hing om het schilderij, dat er onder stond, tegen stof te beveiligen.
„Dit is het werk, waar ik op het oogenblik mee bezig ben. Het is een pastel-teekening van een brok bosch in voorjaarstooi.”
Allen stonden in stille aandacht te kijken naar het prachtige werk van Oom Wim.
„Wat zijn die voorjaarstinten er mooi in weergegeven,” zei Mevrouw Cortelingen.
„Hè, wat fijn,” zei Tine. „Zoo zien de boo-men bij ons er ook uit in de lente.”
„Wat heerlijk, om zooiets in je kamer te hebben, ” zei Dé.,, Ik zou er steeds weer naar kijken en als ik verdrietig was, zou ’t me zeker blij maken.”
14Ö