voor haar het land wat ze zoo lief had zóó te hooren roemen.
Terwijl nu het geheele gezelschap een kijkje in den aan de serre grenzenden tuin ging nemen, bleef zij met Oom Wim zitten praten en ze schilderde hem in warme kleuren haar leventje in Indië af, toen Moedertje nog leefde en ze in blije onbezorgdheid over het groote erf achter hun huis ronddraafde.
En Oom Wim liet haar maar vertellen, wel voelende, hoe goed ’t haar deed weer eens te spreken over dit lieve verleden.
Daar kwam het gezelschap weer binnen. Oom Wim stond haastig op, hij mocht zijn plichten als gastheer toch niet verwaarloozen.
„Wil het geeërde gezelschap nu eens ’n kijkje in m’n atelier nemen?” vroeg hij.
Nu, daar waren ze allen voor te vinden. En in optocht ging het nu naar het groote atelier, dat op het Noorden lag en heel licht was, doordat het bovenlicht had.
Het is haast niet te vertellen, hoe intiem en gezellig Oom Wims atelier was.
Overal aardige hoekjes die haast op zichzelf weer een kamertje vormden.
„Dat is nu m’n rookhoekje,” zei Oom Wim.
Hier was alles echt Oostersch ingericht. Een gemakkelijke divan met Perzisch kleed erover heen, mooie zwart-houten krukjes met paarlemoer ingelegd, een klein tafeltje met een
148