„Alsjeblieft een boeltje melk met een beetje koffie en een heeleboeltje suiker.”
Ze begreep niet waarom ze allen zoo begonnen te lachen.
Maar Sambo had haar best verstaan en ’t was een heerlijk zoet kopje wat hij haar bracht.
Uit dankbaarheid kreeg hij een mollig, warm handje van haar. Het kleine ding was nu niets bang meer voor hem en liep hem als een hondje na.
„Oom Wim!” riep Rob vanuit de serre. „Kom nu toch eens even bij ons zitten.”
„Ja, direct,” riep deze terug. Vóór hij echter bij ze kwam, haalde hij iets te voorschijn uit een groot kabinet.
„Kijk eens, Dé,” zei hij, terwijl hij naast haar ging zitten. „Dit zal jou wel interesseeren, het zijn allemaal vluchtige krabbels die ik in Indië maakte.” En hij legde een portefeuille voor haar neer, geheel gevuld met schetsen.
O, hoe ze ervan genoot! Terwijl de anderen babbelden en pret maakten, zat zij stil te genieten van al die geliefde en bekende plekjes.
„’t Is zoo’n mooi land,” zei Oom Wim. „Ik heb er zóó genoten van die overweldigend mooie natuur.”
En nu ontspon zich een heel gesprek tusschen die twee over het mooie Indië en de Javanen.
Dé’s oogen schitterden. Hoe goed begreep Oom Wim den Javaan en hoe heerlijk was ’t
147