„Zoo, nu gaan jullie allemaal zitten,” commandeerde Oom Wim. „En wie geen plaats in de kamer kan vinden, gaat maar in de serre.”
De serre zag er zóó verleidelijk uit, daar waren alle variëteiten verzameld, die Oom Wim van z’n verre reizen had meegebracht.
Aan de wanden hingen allerlei zaken uit Indië, groote wajang-poppen, heel bizondere sarongs en meer zulk soort dingen.
„Mogen wij in de serre zitten?” vroeg Dé zacht aan Jo. Haar blik ging liefkozend over alle dingen die haar herinnerde aan haar eigen thuis in Indië, of liever, zooals ’t was toen haar onvergetelijk moedertje nog leefde.
Oom Wim volgde haar blikken en zei vriendelijk :
„Het jonge goed gaat dan in de serre zitten. Sambo breng je de koffie daar heen?”
Juf maakte zich direct verdienstelijk door Oom Wim met koffie schenken te helpen en Sambo bediende onhoorbaar en vlug.
„Kleine juffrouw ook koffie?” vroeg hij, toen hij bij Nettie kwam.
Nettie kroop even tegen Moeder aan, toen het zwarte kereltje zoo vlak voor haar stond? maar Mevrouw weerde haar lachend af en zei:
„Zeg maar eens aan Sambo wat jij graag wil hebben.”
En met neergeslagen oogjes en een heel bedeesd stemmetje zei Nettie:
146