trouwen, en toen wilde zijn vrouw „zoo’n zwarte” niet altijd om zich heen hebben.”
Nu sukkelt het goede mensch steeds met haar „booien” en zou misschien wat blij zijn, als ze mijn handigen weinig-eischenden zwarte terug had. Maar daar kan ze naar fluiten, hoor!”
„Toe Oom, laat Sambo nu eens zien,” vroeg Rob.
„Eerste bezienswaardigheid van den huize Wim,” lachte Mijnheer Tervaart.
Oom Wim klapte driemaal hard in de handen en als bij tooverslag verscheen de neger Sambo ten tooneele.
Het was een stevig kereltje, met een zwarten kroeskop, en een lachenden grooten mond waarin hel de blinkend-witte tanden uitkwamen.
Beleefd groette hij het gezelschap.
Jo en Rob vlogen direct op hem af en gaven hem een stevigen hand.
„Sambo, is de koffie klaar?” vroeg Oom Wim.
„Jawel Master, koffie klaar is,” zei Sambo in z’n gebroken Hollandsch en hij maakte met een buiging de deur van de huiskamer open.
„Eenig, hé?” vonden de meisjes en ze knikten allen den vriendelijk grijnzenden Sambo toe.
„O, wat een knusse kamer,” juichte Tine. „Allemaal boeren-meubeltjes!” En het dartele vlindertje vloog van den eenen hoek naar den anderen om toch alles goed te kunnen zien.
Casa Bianca 10.
145