„Instappen, instappen!” riep Oom Wim.
„U bij ons,” riepen de meisjes om het hardst, terwijl ze hem aan alle kanten bij z’n jas trokken.
„Neen, ik ga bij de ouderen van dagen,” zei Oom Wim kwasi-ernstig.
„Gebeurt niet,” zei Rob. „Pak es aan, Loe!” En met z’n beiden heschen ze Oom Wim de brik in.
En toen vlogen gauw alle witjes er in en was het arme slachtoffer omsloten door een nauw escorte.
Het was een dol gezellige rit, er werd gezongen en gelachen en vóór ze ’t wisten, stonden ze voor Oom Wim’s huisje.
Van alle kanten klonken uitroepen van bewondering. ’t Was dan ook een heel bizonder huisje.
’t Was geheel wit gepleisterd en zeer vreemd en eigenaardig van bouw. Langs alle ramen klom hoog de Oost-Indisclie kers op, wat allerliefst stond tegen al het wit.
,,Wat beteekent „Casa Bianca?” vroeg Dé, die naar den naam van het huisje keek.
„Dat wil zeggen „WTit Huisje”, zei Oom Wim.
„Waarom heeft U er een Italiaanschen naam op?” vroeg Dien.'
„Als een lieve herinnering aan m’n verblijf in Italië. Daar zag ik zooveel witte huisjes en ik nam me direct voor, als ik ooit ging bouwen, ook zoo’n wit kluisje te nemen.”
143