met een bloemzoet mondje z’n jaspandjes naar mekaar toetrok.
„Mal Vadertje!” gierde Jo, terwijl ze hem even duchtig knuffelde.
Het geheele gezelschap kuierde nu in een gematigd gangetje het perron af.
„Is het ver hier vandaan?” vroeg Ada, die evenals de anderen brandde van nieuwsgierigheid om het huisje van Oom Wim te zien.
„Ongeveer drie kwartier loopen, hè, Oom?” zei Jo.
„Ja, als we flink aanstappen wel, Job!”
Nu kwamen ze allen het stationsgebouw uit. „O, kijk eens,” riep Tine. „WTat een leuke versierde rijtuigen!”
En inderdaad stonden vóór het station twee groote brikken, geheel versierd met teer groen en mooie bloemen.
’t Zag er allerfeestelijkst uit.
„Instappen dames en heeren,” noodigde oom Wim uit.
„Is dat voor ons?” vroeg Mevrouw Tervaart verrast. „Maar jongen....”
„Niet knorren, Kit,” zei Oom W7im op z’n liefste toontje. „Zoo dikwijls gebeurt ’t niet, dat ik zulk hoog bezoek krijg. Dan mag ik de bloemetjes toch wel eens buiten zetten.”
„Nu, dat heb je dan ook wél gedaan,” lachte zijn zwager, terwijl hij op de mooie rozen wees, die tusschen het groen prijkten.
142