„Wat echt,” vonden ze allemaal.
„We zullen heel zoet zijn,” zei Tine.
„Jij vooral, ondeugd,” spotte mijnheer.
„Nu, we zitten in een coupé naast jullie en als je ’t te bont maakt, kom ik er wel eens orde onder houden.”
Ze kwamen in een trein waarin wagens met wandelgangen te zitten en dat gaf natuurlijk weer aanleiding tot allerlei grapjes. Telkens werden er wederzijdsche bezoeken gebracht, en zelfs werden er tweestemmige liederen gezongen, waarbij de coupé der „ouwetjes” natuurlijk de tweede stem had.
Op die manier duurde de reis maar heel kort en toen men het station te H. naderde, klonk uit aller mond een verbaasd: „Zijn we er al?” Rob stak zijn hoofd uit het portierraampje en keek het perron langs.
„Daar staat ie!” galmde hij luidkeels door de coupé’s.
Een algemeen geschreeuw van „daar staat Oom Wim” volgde hierop en weldra zag men het blonde hoofd van bovengenoemden heer voor het portierraampje verschijnen.
Toen de twee coupé’s „uitgeladen” waren en het heele vroolijke troepje bijeen stond, kon Oom Wim niet nalaten te zeggen:
„Welk een zomer-weelde! Altemaal witte kapelletjes.”
„Hè, ja!” zei Mijnheer Tervaart, terwijl hij
141