’t Was ook onmogelijk, de uitbundige pret van de meisjes te keeren.
„Hallo!” riep een stem uit de burentuin. „Zijn jullie al klaar?”
’t Was Jo, die als een wit vlindertje over de heining keek.
„We zijn net klaar,” riepen de meisjes. „Komen jullie ons halen?”
„Ja, Dien en Loe zijn er ook al. We komen direct.”
En even daarna kwamen de buren al aangestapt. Vooraan Jo en Dien, allebei in gezellige witte jurken, dan Rob en Loe in leuke linnen sportpakken en daarachter Mijnheer en Mevrouw Tervaart.
„Alles klaar?” galmde mijnheers stem door de gang.
„Present, majoor!” lachte Mevrouw Corte-lingen.
En daar kwamen al de witjes ’t huis al uit, gevolgd door Mevrouw met Juf en Nettie.
’t Was een heele karavaan die zich nu op weg naar het station begaf en menigeen oogde het vroolijke troepje na.
„We kunnen niet eens allemaal bij elkaar zitten,” zei Rob.
„Daar hebben we op gerekend,” zei Mijnheer. „De jonkies gaan bij elkaar in een coupé en de ouwetjes in een andere met Nettie, die we veiligsheidshalve maar bij ons zullen nemen.”
140