Men raadde ze aan met den trein terug te gaan, daar ze anders wellicht weer zouden verdwalen. Maar geen van drieën hadden ze geld op zak.
Toen zonk de moed ze in de schoenen. Ze liepen een eind de dorpsweg op en gingen aan den kant in het gras zitten. Drie, angstige, huilende meiskes.
Zoo vond ik ze, toen ik er op de fiets langs ging. Je moet w ten, dat ik, ook al verlokt door het heerlijke zomerweer, midden in m’n werk een bevlieging kreeg om naar m’n lieve zus te peddelen.
Wat een gelukje, dat ik gehoor gaf aan die bevlieging.
Huilende meisjes wekken altijd mijn belangstelling op. Ik naderde dus het weenend klaverblad en kwam tot de ontdekking, dat ik die gezichtjes al eens meer gezien had.
De tweelingen hadden te veel tranen in de oogen om mijn lieflijk gelaat te herkennen, maar Wil, wier tranenvloed juist op d’r schoot was terecht gekomen, nam me eens even scherp op en zei met een snik: „Oom Wim.”
Ik voelde me, hoor! Ik kreeg zoo heelemaal ’t idee een beroemdheid te zijn. W aar je ook komt, in ’t onmogelijkste nest, men kent je, oom Wim!! Jullie voelt ’t, hè?
De tweelingen keken ook op en toen ze
134