me in al mijn grootheid aanschouwden, hieven ze een vervaarlijk gebrul aan en onder huilen en snikken kreeg ik ’t verhaal te hooren.
Goede raad v/as duur. Ik kon ze onmogelijk alle drie op step nemen. Toen deden we moeite een rijtuig te krijgen, echter zonder resultaat, de ,,peerden” waren op ’t land.
Er zat niet anders op, dan rustig af te wachten tot er een trein zou verschijnen.
We hebben toen den tijd gekort met het eten van „taretjes” en ’t drinken van thee.
In den trein heb ik een schoone rede voor ze klaargemaakt, waarin veel voorkwam van vergiffenis en verdoolde schapen, maar ’t was ook alweer vergeefsche moeite. Ze hebben er niets van gezegd, wat jammer is, want ’t was een schoone speech.
„Jo”, eindigde oom Wim z’n verslag, „geef me een glas water, want m’n keel is droog van het praten.”
„We hebben nog thee,” zsi Dé, terwijl ze haastig opstond. „Zal ik maar even inschenken, mevrouw?”
„Neen kindje,” zei mevrouw lachend. „We zullen oom Wims onschatbare diensten be klinken met wat anders dan thee.”
Vlug haalden Mevrouw en Juf nu glazen te voorschijn en werd er voor deheeren een glas wijn, voor de dames en de meisjes limonade ingeschonken.
135