De zang-cursus was geeindigd. De zon stond nog vrij hoog aan den hemel, het groen rook frisch, de vogels....”
„Hè oom, hou nou op,” riep Jo. „Zoo komen we er nooit.”
„Deze inleiding, klein uilskuiken, is noodig, om het gedrag van drie deserteurs te verontschuldigen. Ik ga dus voort. — De vogels dan, zongen hun mooie liedekens en Wil en de tweelingen bekoord door die heerlijke zomerweelde, gingen een eindje het bosch in.
Een klein eindje maar!
Het stond er vol bloemen en al heel gauw gingen de meisjes plukken, handen vol, allemaal bloemen voor mevrouw. Wat zou ze er blij mee zijn!
Al plukkende, vloog de tijd om. En toen Wil op haar horloge keek, was ’t half vijf. De schrik sloeg ze om ’t hart. Half vijf! en ze waren om drie uur van zang gekomen!
Met bedroefde gezichten aanvaardden ze den terugweg. Zoo dachten ze tenminste. Maar onbekend als ze in het groote bosch waren, namen ze juist den verkeerden weg, liepen steeds door, zoekend naar den weg die ze naar huis moest voeren, om eindelijk moe en wanhopig aan te komen in het naburige plaatsje B.
Daar hoorden ze, dat ze bijna l}/2 uur van hier verwijderd waren.
133