oom Wim’s opgewekte stem. „Vooruit, verloren schapen, naar binnen!”
Maar de verloren schapen klemden zich in wanhoop aan oom Wim vast en durfden de kamer niet in.
„Laat me toch los, klitten!” riep deze kwasi-boos. „Ik ben zoo blij, dat ik jullie eindelijk kwijt raak en nu wil je me niet loslaten.”
Met een flinken ruk scheurde hij zich los en duwde de meisjes de kamer in.
Daar stonden de drie zondaresjes, de kopjes heel laag op de borst gezonken en zacht snikkende.
Mevrouw Cortelingen ging naar ze toe, nam ze één voor één in haar armen en gaf ze een har-telijken kus.
En zoo in-moederlijk was ze in haar houding tegenover de drie meisjes, dat allen er door ontroerd werden en zelfs de luidruchtige oom WTim er stil van werd.
,,En nu de ontknooping van het avontuur,” zei mijnheer Tervaart, toen allen gezeten waren. „Jullie begrijpt, dat we allen branden van nieuwsgierigheid.”
WTilly keek smeekend naar oom Wim en ook de anders zoo dappere tweelingen zwegen.
„Zal ik ’t verhaal dan maar doen?” vroeg deze, die medelijden met ze had en wel begreep, hoe moeilijk ’t ze viel erover te spreken. „Luistert dan, brave zielen.
132