„Hebben jullie mi al eens nagezien met welleen trein ze kunnen komen?” vroeg mijnheer.
„Och neen, daar hebben we in onze opwinding heelemaal niet aan gedacht,” lachte mevrouw. Mijnheer haalde het spoorboekje te voorschijn. „Ze kunnen over een kwartier hier zijn,” zei hij. „Het is de laatste trein die vandaar vertrekt. Komen ze dus daarmee niet, dan moeten ze met een andere gelegenheid komen, maar dat zou ik haast niet denken.”
„Hè mevrouw,” vleide Tine, „mogen we naar het station om ze te halen?”
„Neen Tineke, dat liever niet,” zei mevrouw. ,,Jullie moogt wel opblijven tot ze er zijn, maar ik heb niet graag, dat er zoo’n heele optocht naar den trein gaat. En buitendien, we zouden er op die manier een heel pretje van maken en vergeten hoe ’n angst we hebben uitgestaan door die ondeugende kinderen.”
„Mogen we hier even blijven wachten?” vroeg mevrouw Tervaart. „We zijn zoo nieuwsgierig naar de lotgevallen van het drietal?” „Moet u dat nu vragen?” zei mevrouw Cortelingen hartelijk. „II weet toch wel, hoe prettig ik ’t vind m’n buurtjes bij me te hebben.” „Daar hoor ik ze aankomen!” riep Jo. „Ik hoor Oom Wim’s stem!”
En Jo had goed gehoord. Daar klonk reeds een bescheiden belletje door het huis.
„Is de familie in de tuinkamer?” vroeg
131