„Oom Wim!” riepen ze allen door elkaar.
„Dat is m’n broer!” zei mevrouw Tervaart. „Hoe komen ze daar? Hij woont in H.... Daar begrijp ik niets van.”
„Waar komt het telegram vandaan?” vroeg Juf.
„Da’s waar, daar dachten we geen van alle.i aan,” zei mevrouw, terwijl ze het telegram weer opnam.
„Uit B.,.,! Dat is hier vlak bij, niet waar?” „Nu, vlak bij,” zei Jo. „Met de fiets is ’t een anderhalf uur rijden.
Met de trein ben je er vlugger, maar er gaan haast geen treinen.”
„Hoe komt oom Wim daar?” zei mevrouw Tervaart peinzend.
„Ja, hoe of waarom, dat is eigenlijk bijzaak,” zei mevrouw Cortelingen, die zich honderd pond lichter voelde.
„’t Voornaamste is, dat de bengels nu veilig bij uw’ broer zijn.”
Weer werd er gescheld.
„Daar zullen ze zijn!” riepen de meisjes.
Maar ’t waren mijnheer Tervaart en de twee jongens, die elkaar op hun onderzoekingstocht waren tegen gekomen.
Ze kwamen, net als mevrouw en Juf, niet erg opgewekt binnen, doch toen ze de goede tijding hoorden, klaarden hun gezichten heele-maal op.
130