„Goed, zorg jij dan voor de thee.” zei mevrouw en begaf zich met Juf op weg.
De meisjes zetten zich met bedrukte gezichten aan ’t werk en Nettie liep van de een naar de ander om te vragen, waar de tweelingen en Willy nu toch bleven en of ze wel weer terug zouden komen.
„Misschien zijn ze wel door een stoute heks meegenomen,” zei ze,terwijl ze de angstige oogjes naar Dé ophief.
,,Wrel neen, kleine schat,” zei deze, terwijl ze het kind op schoot nam. „Heksen bestaan alleen maar in prentenboeken.”
„Behalve hiernaast in de keuken, daar zit er nog een,” zei Tine.
Nettie dacht even na, toen zei ze: „Ant is geen heks, ik krijg altijd een klontje suiker van haar.” „Nu, dan ben jij in de gratie,” zei Ada.
Nu gingen ze weer allen rustig met werken door en Nettie schoof met haar stoeltje dicht naar Dé toe en speelde rustig met haar pop.
Oei, hoei! klonk plotseling een schelle kreet uit den tuin van de buren.
„Daar is Jo,” riep Tine, die haastig opstond. ,,Even hooren, wat ze wil.”
„Laten we maar allemaal even den tuin ingaan,” stelde Ada voor. „’t Is hier vanavond zoo vreemd.”
„Nu vooruit dan maar,” stemde Dé toe. „Dan werken we straks even harder door.”
127