„Zeg,” riep Jo, terwijl haar ondeugend kcpje over de heining keek. „Waar zitten jullie toeh. ’t Is zoo stil bij jullie!”
Toen vertelde Tine hoe allen in onrust waren over het wegblijven van de tweelingen en Wïlly.
Jo’s vroolijk gezichtje betrok.
„Wat eng, zeg! Waar zouden ze zitten?”
„Ik vrees, dat ze verdwaald zijn,” zei Dé.
„Als ze maar geen ongeluk overkomen is,” zei Jo angstig.
„Toe, malle meid, jij maakt ’t nu direct zoo heel erg,” zei Ada, schijnbaar luchthartig.
„Waar hebben jullie ’t over?” klonk een tweede stem vanuit der buren tuin en Rob’s hoofd verscheen eveneens boven de schutting.
„Tsjonge!” zei deze gewichtig, toen hij het verhaal hoorde. „Dat ziet er leelijk uit, die zijn vast geweldig verdwaald. Maar weet je wat, ik ben toch klaar met m’n huiswerk, ik stap even op mijn fiets, haal Loe op en dan gaan we samen ’t bosch in, misschien vinden we de verdoolden.”
„Ja, da’s best,” vonden de meisjes eenparig.
In tusschen waren mijnheer en mevrouw Tervaart, die het verhaal van Rob hoorden, ook in den tuin gekomen.
Ze vonden ’t ook een angstige geschiedenis en terwijl mijnheer besloot per fiets naar het naburige dorp te trekken, stelde mevrouw voor met Jo de meisjes gezelschap te komen houden.
128