„Neen,” zei mevrouw lachend. „Daar ben ik ook niet bang voor. Maar, ik houd van regel, de meisjes hooren op tijd terug te zijn. En Annie en Meta zijn zulke vreeselijke robbedoesen, wie weet, wat ze uithalen.”
„Nu ze zullen voor vijf uur wel thuis zijn,” lachte Ada. „Hun hongerige magen zullen ’t zeker niet langer uithouden.”
Allen begonnen te lachen, want ’t was van algemeene bekendheid hoe hongerig de tweelingen altijd waren en ze werden dan ook altijd door de anderen geplaagd met haar doorloopenden eetlust.
’t Werd echter vijf uur en nog was het drietal niet thuis.
„Ik zal eens naar de muziekschool gaan,” zei juf. „Misschien zijn ze wel heelemaal niet op zang geweest.”
„Ja, doet u dat,” zei mevrouw, die hoe langer hoe ongeruster werd.
„Ik begrijp niet, waar dat vee zit,” zei Tine zacht tegen Dé.
Daar kwam juf terug. Ja, de meisjes waren op zang geweest en mijnheer had ze niet nog eenige meisjes van den zang-cursus weg zien gaan.
„Dan maar weer even rustig afwachten,” zei mevrouw, die zich kalm hield voor de meisjes, maar inwendig lang niet kalm was.
„Wil ik nog maar even wachten met tafeldekken?” vroeg Dé die de weekbeurt had.
125