genoegelijk was geweest, de twee buur-heeren verschenen, werden die twee al gauw in beslag genomen door mevrouw, die ze meevoerde naar den tuin en daar een bespreking met ze hield.
Toen het tweetal weer binnen kwam, zag ’t er geheimzinnig en gewichtig uit. Natuurlijk werden ze bestormd met vragen, maar ze lieten niets los en Rob zei op plechtigen toon:
„We hebben niets gezien, we hebben niets gehoord!”
Waarna hij door de jongedames uitgescholden werd voor naarling, saai-piet en meer mooie benamingen waar hij zich echter niets van aantrok.
Mevrouw kwam weer binnen en nu werden er allerlei aardige spelletjes gedaan.
En daartusschen door was Juf maar steeds aan het limonade presenteeren met van die gezellige, kleine taartjes in papieren bakjes.
„Hè, mevrouw.” vroeg Tine. „Mogen we de stoelendans doen? Dat is zoo eenig.”
„Ja zeker,” zei mevrouw. „En ik loof een prijsje uit, voor wie den laatsten stoel kan bemachtigen.”
Dit gaf een algemeen gejuich.
„Nu moeten jullie even helpen het kleed opnemen,” zei juf.
Alle handen waren bereid te helpen, maar de buurheeren konden dat zaakje alleen wel af en handig sloegen zij het zware kleed in elkaar.
119