„’t Is zoo heerlijk,” zei Dé. „Nu kan ik Moeders portret boven mijn bed hangen. Wat is ’t toch lief van U.”
„Och kind, ik weet het beste, wat het is, iemand te verliezen die je zoo heel dierbaar is, dan doen de herinnering en de portretten zoo veel goed.”
„U heeft tenminste Uw kleine schat nog over,” zei Dé op een toon die Mevrouw door ’t hart drong. „Ik heb niets meer.”
„En Vader dan?” zei Mevrouw verwonderd. „Vader!” zei Dé bitter. „Die heeft z’n mooie, jonge vrouw en z’n eigen kind is vergeten.” „Liefje,” zei mevrouw verschrikt. „Is dat wel zoo? Is ’t geen ijverzucht op je tweede moeder die je zoo doet spreken.”
„Neen mevrouw, heusch niet. Ik heb getracht toen de nieuwe mama kwam, lief en hartelijk voor haar te zijn, maar ze heeft me door koelheid van zich afgestooten en zij, zij was jaloerseh van het greintje liefde, dat Vader mij nog betoonde.
Vader werd hoe langer hoe koeler tegen me, ik kreeg zelfs geen kus meer van hem en toen Mama er een half jaar was, werd ik naar Holland gestuurd, naar een tante, die het zwarte kind eng vond en me koel en onharteliik behandelde.
Pas bij U heb ik weer hartelijkheid en liefde gekregen. O, ik ben zóó blij, dat ik bij u ben en
117