wanhopige pogingen het met haar tong los te krijgen, doch het mocht haar niet gelukken.
„Nun”, zei Fraulein, een beetje ongeduldig.
„Bit, bach, bei,” hakkelde Ada, die door de prop tusschen haar kiezen met geen mogelijkheid een „m” of ,,n” kon zeggen.
Plotseling gierde Tine het uit.
„Ze heeft dat noga-blokje tusschen haar kiezen,” riep ze tegen Jo.
Jo keek angstig naar Fraulein, deed onmen-schelijke pogingen om haar lachen in te houden, ’t Was ook zoo’n potsierlijk gezicht, Ada met haar tong te zien werken, om die kleverige massa weg te krijgen.
Fraulein was ziedend. Met groote passen liep ze naar Ada toe en vroeg wat dat te beteekenen had.
„Ich habe mich erkaltet und nun musz ich Tröpfchen essen,” zei Ada, op een toon of ze gezwollen amandelen had.
„Infamer Liige!” barstte Fraulein uit. „Ist kein Tröpfchen, ist Chokolade.”
Frauleins reuk-organen waren blijkbaar in de beste conditie.
En nu moest Ada vertellen hoe ze aan die chocolade kwam.
Ada keek hulpeloos rond, wilde Tine niet verraden. Doch deze, zich kostelijk amuseerend, zei met het leukste gezicht ter wereld:
„Van mij gekregen, Fraulein.”
105