99
hij hen allebei krachtig de hand, zei, dat hij hoopte, dat ze het in zijn dorp naar zin zouden hebben.
„Maarten, hê-je’ hoort? Kee van Slaphals hêt vannacht ’n zoon’krijgt,” riep een van de vrouwen hem toe.
„Is ’t waarachtig? wat zal Jan blij zijn. Eindelijk een zoon, na acht dochters. Ik loop er vanmiddag even heen, hoor!” „Wanneer kraige we nou bij jou beskoit met moissie’s Maarten?”
Ruth, die geboeid had zitten kijken naar het fier gelaat met de wakkere oogen zag even een pijnlijk vertrekken van zijn mond. ’t Was maar een ondeelbaar oogenblik maar ze had het opgelet, schoon ze absoluut niet begrepen had wat de vrouw gevraagd had.
Pol, die het wel had verstaan, dacht ineens aan Chita’s uitval op dien morgen en ze vond het zuur, dat die boe-renstoetel daar zoo onbehouwen naar vroeg.
Maarten negeerde de vraag en zich tot Ruth en Stefan wendend vroeg hij, hoe de streek hun beviel en koesterde zich in hun bewondering voor het duinlandschap.
„’t Is hier altijd mooi,” zei hij en zijn grijs-blauwe oogen straalden. „Als het winter is, denk ik, dat er toch niets haalt bij een winter buiten en als het zomer is, dan geloof ik, dat de winter toch niet kan halen bij den zomer.”
„En is ’t u nooit te stil?” vroeg Stefan.
„Te stil?” er was verbazing in zijn stem. „Er is immers altijd wat te doen. Als u het tuindersvak eenmaal goed verstaat, dan zult u zien, dat er nooit sprake van stilte kan zijn. Eigenlijk kom ik eeuwig tijd te kort.”
„Wist je niet dat we zouden komen?” vroeg Pim.
„Excuse me, dearest!” lachte Maarten. „Natuurlijk had Chita ’t me vanmorgen gezegd, maar na een woelige och-tendbespreking over grondverkoop was het me weer ontschoten. Chita is in die dingen veel nauwgezetter en zal jullie wel met een keurige lunch wachten. „Duinwyck!”