96
Pol, die rug aan rug met de vrouwtjes zat, had het gesprek gehoord en zich overbuigend naar Ruth en Stefan, zei ze: „Nu hooren jullie het onvervalschte Duinwycksch. Heb je er iets van verstaan?”
„Geen woord,” verklaarden ze allebei.
„Ze hebben uitgemaakt dat we familie van Maarten zijn. Je moet weten, dat onze zwager de meest populaire figuur van het plaatsje is. Hij is er geboren en getogen en het heele dorp noemt hem Maarten. Het is gewoon verrukkelijk zooals hij met al die menschen omspringt en het gaat hem zoo natuurlijk af, omdat hij werkelijk van ze houdt.”
„En je zuster?” vroeg Ruth. „Is die ook zoo populair?” „Op geen stukken na,” viel Pim wat snibbig uit. „Chita is „de vrouwe van de Plaats.” Ze doet wel liefies, maar het lukt haar toch niet hun harten te winnen.”
„Overdrijf nu niet zoo,” zette Pol haar terecht. „Natuurlijk kan Chita niet voor die menschen voelen wat Maarten er voor voelt, wiens voorouders er al gewoond hebben. Maar ze doet heusch erg haar best om in hun lief en leed te dee-len en ’t is misschien niet eens haar schuld, dat ze niet zóó aangebeden wordt als Maarten, dien ze beschouwen als een der hunnen.”
„Wedden, dat Titia er veel meer slag van heeft met de Duinwyckers om te gaan dan Chita?”
„Best mogelijk. Lam genoeg voor Chita.”
„Weet je hoe ’t komt? Omdat Ties den waren eenvoud van harte heeft en dat is iets dat onze dierbare zuster hee-lemaal mist. Kijk nou maar niet zoo spottend, Pol, ik weet heel goed, dat Chita en ik vreeselijk veel van elkaar hebben.”
„Ik geloof heusch, dat ik weer stop moet zeggen,” lachte Ruth. „Ik had zoo’n stille hoop dat jullie het in die weken wat afgeleerd hadden.”
„Vrouwen kunnen geen seconde zwijgen,” zei Stefan wijs-