94
„O, wat een ellende toch!” jammerde Pim. „Je moet je nou gewoon alles ontzeggen.”
Maar Pol schoot in een lach om haar overdrijving en vond, dat ze het nog heelemaal niet zoo erg hadden.
„Zeg, daar heb je de van Winschote’s,” schrok Pim. „Die zien nou net dat we straks in een derde klas coupé stappen. Draai je om Pol, dan zien ze ons niet.”
„Ik denk er niet aan! ’t Is heelemaal geen schande om derde klas te reizen. Stel je toch boven zulke dingen.”
Maar de van Winschote’s waren op een verkeerd perron en holden tot Pim’s groote vreugde de trap weer af.
Nadat de meisjes nog een kwartiertje heen en weer gewandeld hadden kwam dan eindelijk de trein uit Antwerpen binnen en daarmee Ruth en Stefan, die er gezond en bruin verbrand uitzagen.
Het was een vroolijk weerzien en menigeen waagde nog-eens een oogje aan de vier jongelui, die elkaar uitbundig begroetten.
„Vooruit kinderen,” porde Pol hen aan. „We moeten naar het derde perron.”
„Hebben we directe verbinding?” vroeg Ruth verbaasd. „Ja, knap voor Holland, hè?” plaagde Pim.
„En wat zeggen jullie wel van den ommekeer in ons leven?” vroeg Pim, toen ze in den trein naar Duinwyck zaten.
„Reik ons de hand, zuster!” lachte Ruth. „Alleen . . . we zouden nog heel graag met jullie oversteken.”
„Ja, dat is waar,” gaf Pim toe, die, nu Ruth het zoo eenvoudigweg zei het gevoel had of haar eigen misère wat weg begon te zinken.
„Misschien komt het wel, omdat ik hun gezellige gezichten weer zie,” dacht ze, maar ze vergat, dat de grootste factor het feit was, dat Ruth en Stefan hen niet gekend had