93
„’t Kind is zoo overstuur,” zei ze dan zacht. „Jullie moeten ’t haar maar niet kwalijk nemen.”
„Welneen, moeder,” stelde Maarten haar gerust.
Maar z’n vrouw was wat in haar wiek geschoten.
„Er wordt een beetje te veel rekening gehouden met Pim’s humeurtje,” vond ze.
„Dat werd er met een zekere donna Conchita ook, toen die nog thuis was,” plaagde Maarten haar.
„Dat is zoo,” stemde Pol in. „Maarten heeft je opgevoed. Moeder was veel te goed voor je. Die verwende je nog harder, dan ze ’t ons heeft gedaan.”
„’t Zal allemaal wel goed komen,” zei mevrouw Weldam. „’t Zal hard zijn voor ons Pimmetje, maar kwaad zal ’t haar niet doen. ’t Leven heeft me geleerd, dat de dingen, die zich zoo erg laten aanzien, vaak meevallen. Daar komt vader, kinderen, laten we over iets anders praten.”
HOOFDSTUK V.
Pim en Pol liepen ongeduldig wachtend op het perron heen en weer.
„Jij ook altijd met je gejacht,” bromde Pol. „We zijn weer veel te vroeg.”
„Ging de klok zeker voor,” zei Pim schijnheilig, want ze wist heel goed, dat ze in haar ongeduld om Ruth en Stefan te ontmoeten te vroeg van huis was gegaan.
„Laten we even in de wachtkamer neerstrijken en een kopje koffie drinken, heb ik net reuzen trek in,” stelde ze dan voor.
„Jij schijnt er nog maar niet aan te kunnen wennen, dat we de dubbeltjes niet voor het opscheppen hebben,” zei Pol kregel, want uit de wachtkamer steeg de geur van versch gezette koffie en Pol was dol op koffie.