r
92
„We zullen ’t maar allemaal afwachten,” zei Chita bedachtzaam. „Jullie loopt zoo vreeselijk gauw met de men-schen weg . .
„En is er al besloten, moeder, wat de meisjes gaan uitvoeren?” vroeg Maarten.
„Pol blijft mij helpen en Pim . . .ja, daar zullen we iets voor zoeken, liefst in de buurt, anders komt er nog een spoor-abonnement bij.”
„Waarschijnlijk weet ik een betrekking voor haar,” zei Maarten.
„Maarten, jij bent onze reddende engel!” riep Pol uit en ze gaf hem een klinkenden slag op z’n schouder.
„Wat is ’t voor een betrekking?” vroeg Pim en het lichtte hoopvol in haar oogen.
„Op een chocolade-fabriek.”
„Is ie eventjes?” vroeg Pol uitgelaten. „Zalig choco snoepen wanneer je maar wil!”
„Wat moet ik daar doen?” vroeg Pim lusteloos. De chocolade scheen haar niet zoo erg te bekoren.
„Voor de lichte administratie, „’t Is nog heelemaal niet zeker, hoor!”
„’t Schijnt wel of je er niet veel voor voelt,” zei Chita wat snibbig.” Je moet maar denken, dat de betrekkingen niet opgeschept liggen.”
„Hemel, neen! dat weet ik heel best,” viel Pim uit. „En ook dat ik het op prijs moet stellen en méér m’n best moet doen dan ieder ander en Maarten niet dankbaar genoeg kan zijn voor z’n bescherming! maar ik wil geen betrekking door jullie! ik zal wel zelf iets zien te vinden. Ik bedank ervoor om eeuwig dat gezwam van Chita aan te hooren. Daar, nu weten jullie het!”
En Pim, snikkende, vloog voor den tweeden keer naar boven.
Verdrietig schudde mevrouw Weldam het witte hoofd.