91
„Wanneer komt je interessante vreemdeling op Duinwyck?”
„Dat hangt toch van jou af, Maarten! hij zit gewoon te springen naar berichten.”
„Wat mij betreft kan ie zijn entrée maken. Z’n kamer is klaar en Nelis is bereid een tuinder van hem te maken.”
„Zullen jullie ’m niet al te hard aanpakken?” vroeg Pim.
„Welneen, deerntje. We zullen hem ’s morgens eitjes voeren en ’s middags een paar uurtjes laten rusten. Is ’t goed?” Maarten’s klare grijze oogen keken plagend naar Pim.
„Och, vlieg op!” zei ze korzelig, want na haar teleurstelling van dien ochtend was ze niet in staat Maarten’s plagerijen te verdragen.
„Krijgt ie jouw werkkamer op Duinwyck?” vroeg Pol,
„Ja,” antwoordde Chita voor haar man. „Is ’t niet buitengewoon van Maarten? hij heeft er een opklapbed in laten maken en de kamer zoo genoegelijk ingericht, dat jullie be . . .” ze slikte het woord beschermeling gauw in, „dat jullie vriend er zich echt thuis zal voelen. Hij mag ’t op prijs stellen, hoor!”
„Wie zegt je, dat hij dat niet doen zal?” vroeg wat vinnig Pim.
„Maarten je bent een schat!” vond Pol. „En Ruth, weten jullie daar al iets van?”
„Ruth? die kan gelijk met hem komen, is ’t niet vrouw?” vroeg Maarten.
„Ja, en als ze handig is, kan Titia haar misschien wel lan-geren tijd houden, want een van de helpsters is niet zoo flink als Titia wel dacht, maar ze wil haar niet direct haar ontslag geven, omdat het een protegéetje van een vriendin van haar moeder is. Denk je dat die Ruth nog al van aanpakken is?”
„Ruth? je zult eens wat zien! die is gewoon van alle markten thuis,” snoefde Pim.