¥
90
toch geen demonstraties te geven. Zooiets van: „Zie je wel hoe gelukkig wij wel zijn!”
„Wat vitten jullie toch altijd op Chita,” berispte mevrouw Weldam haar dochter. „Ze is lief en hartelijk voor ons allemaal en toch hebben Pim en jij altijd wat op haar te zeggen.”
Pol had net een antwoord op de lippen, toen Chita en haar man de kamer binnen kwamen.
„Morgen moeder.” De krachtige mannenfiguur boog zich tot haar over en een klinkende kus weerklonk.
Over het gelaat van mevrouw Weldam kwam die teedere trek, die er altijd op was als ze een van haar kinderen begroette.
Want zoo voelde ze haar schoonzoon aan, als een eigen kind. En Maarten van Oosterwyck, die op betrekkelijk jongen leeftijd zijn moeder verloren had, koesterde zich in de zorgen en liefde van zijn schoonmoeder en voelde zich haar eigen zoon.
Toen hij dan ook gehoord had van den financieelen slag die hen getroffen had, was zijn eerste ingeving geweest ze allen in zijn huis te nemen, opdat ze hun leven van nu op bijna dezelfde voet konden voortzetten.
Hij had er lang en breed met zijn vrouw over gesproken, maar deze had hem weten te overtuigen, dat het voor beide partijen beter was om vrij te zijn.
„Ze moeten hier komen wonen,” had Chita gezegd. „En we kunnen hen met alles en nog wat helpen zonder dat ze het gevoel krijgen dat ze afhankelijk zijn van hun kinderen.”
Hij was gezwicht voor de werkelijk logische beweegredenen van zijn vrouw, maar hij had zich voorgenomen het haar familie licht te maken. Pim, die na zich boven wat op-gefrischt te hebben, milder gestemd naar beneden kwam, begroette haar zwager, waar ze dol op was, uitbundig.
„Zoo, struische deern!” plaagde hij z’n aardig schoonzusje.