187
het voor Pol neer. „Laat nou eens zien, hoe ie je staat?” „O, moeder, wat eenig!” Pol sprong op en omhelsde haar moeder. Toen deed ze de ketting om.
„Prachtig staat ie,” zei Pim verheugd. „En op een donkere jurk zal ie nog mooier staan.”
„Nu ga ik, kinderen, want ik ben toch wel erg moe. Even nog zeggen, Pol, dat vader straks zei: „wat een geluk, dat Pol nog thuis is, wat zouden we ’t anders akelig stil krijgen nu Pim misschien ook gauw uit huis gaat. „Nacht kinderen, wel te rusten en blijf niet te lang praten, jullie moet allebei weer vroeg op.”
Toen de deur zich achter haar moeder gesloten had, zei Pol, terwijl ze de bloedroode kralen door haar vingers liet glijden:
„Of moeder het voelde!”
„Zie je nu, hoe noodig je bent? Je kreeg gewoon een antwoord op je vraag.”
„Och, alles kwam vandaag ook zoo’n beetje bij elkaar en dan laat je je gaan en ziet de dingen veel zwarter in, dan ze, au fond, zijn. Denk maar niet meer aan die nonsens van in betrekking gaan. Als ik vannacht lekker geslapen heb en de zon schijnt morgen over de duinen en de dauw ligt over de herfstseringen in ons tuintje, dan voel ik me weer Croesus. Nou Pim, ik tijg ter bedde.”
Pol lag al in bed, toen Pim nog in pyama door de kamer drentelde en hier en daar wat verschikte.
Toen draaide ze het licht uit.
De maan scheen in de kamer en van buiten drong alleen maar de regelmatige, doffe roep van den brulboei tot hen door.
Pim, zich buigend over Pol, zei zacht:
„Nacht, andere helft! wil je er alsjeblieft aan denken, dat we nauwer aan elkaar verbonden zijn, dan zussen . . . die niet gelijktijdig op de wereld kwamen?”