186
„Doe nou niet zoo dramatisch,” trachtte Pim haar op te wekken. „Hoe heb je mij gekapitteld als ik de dingen overdreef.”
„Maar ik overdrijf ze niet. Weet je, Pim, in ’t begin vond ik dat werken in de huishouding erg genoegelijk, maar den laatsten tijd bevredigt het me niet meer en zou ik toch liever een betrekking hebben waar ik al wat ik geleerd heb meer productief kan maken.”
„Dan zoeken we iets voor je. Natuurlijk zal er voor jou iets te vinden zijn.”
„’t Gaat nogal gemakkelijk tegenwoordig,” zei Pol bitter. „En vergeet niet, dat er dan hier hulp moet komen. Dat kunnen we immers niet betalen.”
„O, wat een ellende!” jammerde Pim, die opeens al haar vroolijkheid kwijt was.
„Wat is een ellende?” vroeg haar moeder, die binnen gekomen was en ze keek verbaasd naar de twee sombere gezichten van haar dochters. Ze keken allebei een beetje verlegen. Je kon moeder toch niet zeggen...
„Wat ziet u er moe uit,” vond Pol. „Waarom is u nog niet naar bed?”
„Omdat ik je nog even iets moest zeggen. Ik ben werkelijk wat moe. Natuurlijk de reactie van de laatste weken. En toch heb ik ’t in die weken, dank zij ons Polletje, rustiger dan anders gehad. Maar angst maakt zenuwachtig en ik denk, dat ik daardoor dat gevoel van moeheid heb.”
„U gaat maar voortaan iederen middag wat rusten,” zei Pol.
„Welja, verpap jij je moeder maar. Zeg, Pol, ik kom je een kleine verrassing brengen. Je hebt ons zoo best geholpen deze weken, daar wor-je nou als een kleine meid voor beloond. Die kornalijnen ketting van m’n grootmoeder met het oude slotje, die jij zoo mooi vindt, is voor jou,” en mevrouw Weldam haalde uit haar tasch een doosje en zette