184
verlegenheid zag. „Hij zal je willen raadplegen voor het bouwen van . . .”
„Het toekomstige nest!” vulde Pol aan. „Ja, vader, we worden oud! Je krijgt een kleinkind en een tweeden zoon!” „Heeft die jongen dan een positie om aan zooiets te durven denken?” vroeg meneer Weldam en er was iets van den vroegeren, wreveligen toon in zijn stem, iets, dat zijn vrouw aangenaam aandeed en haar in stilte deed denken: „hij wordt weer beter.”
„We gaan weer terug naar de tijden van vroeger,” zei ze dan. „Onze kinderen zullen net zoo tevreden zijn met een klein, eenvoudig huisje, zonder luxe, maar met een zee van intimiteit en knusheid, zooals wij, toen we trouwden.”
Hij knikte haar eens toe.
„Die Co’tje kan de dingen zóó voorstellen, dat er geen woord meer tusschen is te krijgen,” dacht hij vermaakt, „en meestal heeft ze ’t niet zoo mis” — hij keek zijn kringetje eens rond en een dankbaar gevoel bekroop hem. „Hoe hadden ze hem op de handen gedragen tijdens z’n ziekte. En hoe goed hadden ze zich allemaal geschikt in de veranderde levensomstandigheden en . . .” zijn blikken dwaalden door de niet groote, maar gezellige kamer, bleven dan weer rusten op de drie hoofden onder de lamp. „’t Is weer net als toen ze klein waren. Ze zijn veel dichter bij ons gekomen, nu ze niet meer zooveel uit gaan,” en in de volheid van zijn dankbaar gemoed, zei hij: „Laat hem dan maar eens komen praten, Pim.”
Waarop Pim hem een klinkende kus gaf.
’s Avonds zaten de beide meisjes op hun kamer nog wat na te praten. Pim zat op den rand van haar bed, een fotoalbum op haar knieën.
„Eenig toch, al die kiekjes,” zei ze. „Gewoon een roman in twee deelen: de rijke en de arme tijd. Hier,” ze wees op het kiekje waarop ze in de witte auto-jassen in Wim’s wa