183
„Een reuze beurt!” schaterde Pol. „Niet, Pim?”
Pim, met een zijdelingschen blik op haar vader zei een beetje verlegen:
„Ja, hoor!” en ze sprak gauw over iets anders.
Na tafel zei Pol:
„Pim, we laten de vaten staan tot vader in z’n mandje is en we zetten vroeg thee, kan vader nog gezellig z’n kopje 6amen met ons drinken.”
De beide meisjes ruimden gauw af.
„Pim, ga nu niet direct naar boven,” bedisselde Pol. „’t Is zoo gezellig nu ons husje weer bij elkaar is,” en ze drukte even vader’s hand.
„Fijn, hè, torteltjes?” zei Pim, toen de twee witte hoofden weer naast elkaar in de groote stoelen met de hooge ruggen zaten.
Er was even een stilte.
„O, hemel!” dacht Pim, die maar van één ding vervuld was. „De stilte vóór den storm!”
Toen — ze kuchte even en meteen lachend om haar eigen „gelegenheidskuch” — vroeg ze, terwijl ze zich naar haar vader toeboog:
„Paps, vin-je goed . . . dat Jan Bork . . . een dezer dagen bij je komt . . . praten?”
Haar moeder keek verrast op. Ze had wel zooiets vermoed, maar door al de misère met haar man had ze er niet meer aan gedacht.
„Je weet wel, man,” frischte ze haar man’s geheugen op. „Die lange, blonde jongen met die heldere blauwe oogen, we hebben hem wel eens aan het strand ontmoet. Een aardig type, zoo’n open gezicht.”
Er trok een glimlach over meneer Weldam’s gezicht, want hij doorvoelde z’n vrouw’s aanbeveling.
„En,” vroeg hij langzaam, „wat wil die jongen van me?” „Ik denk, dat ie wil bouwen,” lachte mevrouw, die Pim’s