177
„Hemel, wat ben je een lastdier 1 Geef op, zal ik ook wat dragen. Waar kom je van daan?”
„Van sted!” lachte Pol. „Moeder heeft me er uitgejaagd, ik was jengelig, door het vertrek van de Mendels.”
„Ook al!” merkte Jan ironisch op.
„Was Pim ook melig? nou ja, ’t zijn ook echte vrienden geworden en we zien ze misschien nooit meer terug.” „Gode zij dank!” dacht Jan wraakzuchtig en het gold meer Stefan, dan Ruth, die hij au fond, dolgraag mocht lijden. Maar, dat zij z’n dag op zóó’n manier bedorven hadden vergaf ie ze geen van beiden. Want als ze nou niet juist vandaag . . .!
„Ik lijk wel gek!” kapittelde hij zichzelf. „De zaak is, dat ik vandaag de man ben die den moed heeft en ik er morgen misschien weer niet aan durf. In ieder geval zal de fluweelen stemming van den ouden heer Weldam nog wel even aanhouden.”
„Nou komt er niks van onze wandeling,” zei Pim. „Dan maar een anderen keer.”
„Hadden jullie terug willen kuieren?” vroeg Pol, die Jan’s ontstemming al opgemerkt had. „Maar doen jullie dat toch, dan ga ik nu meteen met de bus.”
„Ik denk er niet aan,” zei Pim. „Veel te leuk, dat je gekomen bent.”
„Nou, zooals je wilt. Ga je mee met ons, Jan? Moeder wacht met de thee.”
„Een anderen keer graag. Ik breng jullie even naar de bus en dan verdwijn ik.”
„Wat zit er toch allemaal in die pakken?” vroeg Pim, toen ze in de bus zaten.
„Roze wol, witte wol, hemelsblauwe wol!”
„Waarvoor?”
„Nou, schaap, natuurlijk voor het toekomstige kleinkind van opaas en omaas Weldam!”
Wisselend Getij
12