176
houden en dan ben ik de sigaar! Vooruit Jan,” sprak hij zichzelf moed in, „wees een kerel, hak den knoop door.”
„Zeg, wat zie jij daar buiten voor moois?” vroeg Pim, terwijl ze naast hem kwam staan.
Jan schraapte z’n keel.
„Je lijkt vader wel, als ie iets gewichtigs moet zeggen! dat noemen we de gelegenheidskuch,” lachte Pim.
„Misschien heb ik ook iets gewichtigs te zeggen,” Jan haperde en tuurde weer naar buiten. „Pim . . eh . . zeg . . kan ik je vanmiddag . . .”
De deur ging met een zwaai open en een van de kantoorjuffrouwen kwam binnen.
„’t Was een mooi gezicht zoo van buiten af,” plaagde ze, „jullie twee koppen voor het raam! waar kijken jullie zoo naar?”
„Naar eindelooze verten . . .” declameerde Pim.
Maar Jan kon zoo gauw den gewonen toon niet weer vinden en slenterde met een wat teleurgesteld gezicht naar zijn bureau, waar de cijfers dien middag een rondedans voor zijn oogen deden.
„Als er morgen een fout in m’n staten gevonden wordt, zal ’t me niks verwonderen,” dacht hij, „want ik heb er m’n kop vandaag niet bij.”
Toen eindelijk de klok vijf uur sloeg, was ’t hem een ware opluchting.
„Willen we naar Duinwyck wandelen,” stelde hij voor, toen hij naast Pim de trap afging.
„Ja, ’t is fijn wêer,” zei Pim, „en zoo’n wandeling zal m’n stijve botten goed doen.”
„Hallo!” riep een stem, toen ze de poort uitkwamen en Pol belast en beladen met pakjes en een welgevulden acte-map, wachtte hen op. Jan begon aan een fatum te gelooven.
„Da’s de eerste keer, dat jij me komt halen,” zei Pim.