175
dat Jan’s oogen plotseling zoo verheugd oplichtten, maar ze schreef het toe aan belangstelling in den toestand van haar vader. Hetgeen het dan ook was, maar toch eenigszins anders, dan Pim ’t zich voorstelde. Jan had de pijp weer aangekregen en dampte als een schoorsteen.
„Hoe was ’t gisteren met je Vader?” vroeg hij dan.
„Zeg,” zei Pim, keel-schrapend, „je mag hier wel even luchten; als) straks de anderen komen, zul je wat hooren.” „O, sorry!” hij sprong op en schoof een raam open. „Echt najaar,” zei hij, naar buiten blikkend. „Ik moest het ijzer maar smeden zoolang het heet is,” ging het door z’n hoofd. „Nu is de oude Weldam in een best humeur en loop ik de kans, dat ie een wat lange verloving niet zoo heel erg zal vinden. En als ik lang wacht, zou ’t kunnen gebeuren, dat Pim op een goeien dag een ander ontmoet waar ze van gaat